Omdat het vliegveld en de haven de enige mogelijkheden voor Semarang waren om in contact te blijven met de buitenwereld, besloot Schout bij Nacht A.S. Pinke dat er een havenorganisatie onder militaire leiderschap nodig was. Luitenant ter Zee 1ste klasse J.B.J.M. Maas werd benoemd als bevelhebbend Marine officier in Semarang ( NOIC Semarang).

LTZ 1e kl. J.B.J.M. Maas arriveerde  met 10 man op 21 April 1946 in Semarang. Hij kwam in een chaotische situatie terecht, ondanks dat er  toch een Brits NOIC ( een luitenant van de Royal Navy)  was met een kleine havengroep en een luitenant van de Royal Artillerie als havencommandant. Zij onderhielden maar weinig contact met de havenmeester en er bestond geen havenorganisatie.

De haven van Semarang was vanouds al een kleine haven. Het was  alleen mogelijk voor kleinere schepen om aan te meren.

Dit betekende dat de grotere schepen buiten de haven voor anker moesten gaan en de handelswaar met kleinere schepen of landingsvaartuigen aan land gebracht moesten worden. Met alle wrakken die in de haven lagen was dit geen makkelijk werk.

LTZ 1ste kl. J.B.J.M. Maas kwam tot de conclusie dat het opruimen van de haven niet mogelijk was zonder de hulp van marineduikers. Bij de westelijke pier was een enorm gat dat gerepareerd moest worden en er een veel modder uit de haven zelf moest geruimd worden. Ook waren er niet voldoende opslagruimtes aangezien de meeste of beschadigd of vernietigd waren.  

Toen LTZ 1e kl. J.B.J.M. Maas arriveerde, werd de haven nog bewaakt door de vijfde Parachute Brigade. Dit bewaken werd alleen heel zelden gedaan en er werd zodoende veel gestolen.

Er waren twee gemotoriseerde patrouilleschepen bemand door bemanning van het Royal Artillery Signal Corps en  werden gebruikt voor communicatie.

LTZ 1e kl. J.B.J.M. Maas installeerde zichzelf en zijn manschappen in het havenkantoor en begon onmiddellijk aan zijn taak door alle havenautoriteiten te bezoeken en alle relatie in de haven te sorteren, zodat hij zeker was dat de NOIC door iedereen werd geaccepteerd als de centrale militaire autoriteit.

Op 26 April 1946 werd de bewaking van het havengebied van de vijfde parachute Brigade overgenomen door de Tijgerbrigade. Dit bracht een onvoorzien incident voort. Tijdens de nacht van 26 op 27 April 1946 zagen Nederlandse bewakers enkele overvallers op het haventerrein. Dit leidde er toe dat de volgende dag de Britse Havencommandant en

Leden van het Royal Artillery Signal Corps die de lanceerinrichting bemanden, werden gearresteerd.

LTZ  1e kl. J.B.J.M. Maas nam onmiddellijk de patrouilleboten over en bemande die met personeel van de Tijgerbrigade.

Een van de patrouilleboten was uitgerust met een machinegeweer  en werd ingezet om langs de kust bij het bruggenhoofd te patrouilleren. In Mei arriveerden drie marineduikers om de haven vrij van wrakken te maken. Hiervoor gebruikten zij het tweede patrouilleschip als duikbasis.

Gedurende de maand Mei bestond het marine personeel uit 2 officieren, 1 bootsman en 23 matrozen. De twee patrouilleboten kregen de officiële namen RC 105 en RC 106 en werden bemand met marinepersoneel. Het marinepersoneel

Kreeg betere leefkwartieren en van het leger kregen zij een paar trucks waar een garage voor werd gebouwd. Bij de haveningang werd een oud Japans zoeklicht geïnstalleerd. De lichtbundel hiervan maakte het mogelijk dat er ’s nachts continu gewerkt kon worden.

De marineduikers werkten hard en ruimden kades leeg en twee scheepswrakken werden opgeblazen. Op de westelijke pier werd een spoorweg gebouwd, zodat er een toevoerweg was voor de stenen om de pier te repareren. Op deze manier werd verdere beschadiging voorkomen. Het kanaal werd gemarkeerd en in Augustus was het mogelijk voor schepen met een diepgang van 2 meter de haven binnen te lopen.

LTZ 1ste kl. J.B.J.M. Maas  werd de man waarom alles draaide.  Vol energie organiseerde hij reilen en zeilen van de gehele haven. Het havencomitee, waarvan hij het jongste lid was, regeerde hij met stevige hand.

Meer schepen en sleepboten kwamen tot zijn beschikking  en de capaciteit verhoogde toen de scheepswrakken in de scheepswerf werden gerapareerd. Een Japanse landingsboot werd verbouwd tot drijvende werkplaatst om de pieren te reparerren. In November arriveerde een baggerschip om de haven uit te diepen. In het havengebied werden beschadigde gebouwen of gerapareerd of agebroken  en op 1 December 1946 leverde een scheepswerf de eerste nieuwe vrachtboot waarmee het aantal schepen in de haven kwam op het aantal van veertien vrachtboten, drie patrouilleboten en vier kleine sleepboten  met laadcapiciteit van 1700 ton. In Mei waren dat er pas acht vrachtschepen en sleepboten geweest.

Terug